Midden februari 2026 moest Bart Neyts afscheid nemen van zijn trouwe hond Lisa. Zijn verdriet én alle goede herinneringen schreef hij van zich af in een pakkende tekst. Zijn ‘In Memoriam’ voor Lisa is meer dan een persoonlijk afscheid; het is een ingetogen en oprechte tekst die raakt door zijn eenvoud en echtheid. Met een fijngevoelige pen slaagt Bart erin om een universeel gevoel te verwoorden: het gemis van een dierbare metgezel. Wat begon als een manier om zijn eigen emoties een plaats te geven, groeide uit tot een tekst die ook anderen kan ondersteunen in hun rouwproces. Zijn bijdrage getuigt van empathie, verbondenheid en de kracht van woorden om troost te bieden – precies daarom verdient zijn verhaal een plek waar het gelezen en gedeeld kan worden.
Een willekeurige woensdagnamiddag in februari. Na een lange periode van grijze dagen kreeg ik hoop dat de donkere zes weken eindelijk voorbij waren. Aangewakkerd door spelende kinderen in de verte, besef ik dat het leven voortgaat, hoe dan ook. En als ik ooit mocht kiezen, zou dit een perfecte dag zijn om te sterven.
Nog een laatste middag samen, dat had ik me voorgenomen. Mijn trouwe hond Lisa was vorig jaar nog zestien geworden, en dat is oud, en het was eraan te merken. Het laatste jaar kon ze zich moeilijk ophouden, wat wilde zeggen dat ze dagelijks in huis kakte, en aangezien ze maar met moeite recht geraakte, bleef ze er dan ook nog in liggen. Haar muil ontstak geregeld door de haar nog resterende rottende tanden, vergezeld van een misselijkmakende stank. Vorige week had ze een hele slechte week achter de rug en had ik besloten dat het zo niet verder kon.
We gingen naar het bergjesbos. Onze vertrouwde wandeling. Vroeger deden we dit van thuis uit, maar die afstand lukte niet meer, dus reden we met de auto tot daar. De wandeling is iets minder dan 2 km, toeval of niet, ongeveer een mijl. “The Green Mile” – zoals in het boek van Stephen King. In mijn hoofd hoorde ik een stem roepen: “Dead dog walking, dead dog walking here!”
I’m walking a dead dog.
Ik vergeleek mezelf met de cipier op death row. Hij had zich ook afgevraagd: “Zal God me ooit kunnen vergeven als ik dit prachtige schepsel dood maak?” Hoe hartverscheurend deze opdracht ook was, hij moest het doen. Hij had geen ander keus. En ook al had hij vergiffenis gekregen van de terechtgestelde zelf, het schuldgevoel zou hij voor altijd met zich meedragen.
We kwamen aan in Daverlo om naar ons vertrouwde cafeetje te gaan. Wanneer we vroeger de grote toer deden, trok Lisa me letterlijk naar binnen. Ze moest en zou iets drinken. En dan kon ik niet anders dan haar te volgen en ook iets te drinken. Een meisje passeerde op haar step. “Ooh, wat een mooie hond! Het is de mooiste hond die ik ooit gezien heb!”
Mijn hart brak. Ik moest me inhouden om haar niet te vertellen dat ze deze mooie hond voor het laatst zou zien. Ik kon enkel “dankje” zeggen.
Daverlo sportcafé zat vol en we konden nog net een plaatsje vinden in de hoek. De barman kwam langs aan onze tafel.
“Lang geleden” zegt hij.
“Ja, inderdaad. Het gaat niet zo goed met de hond. En om eerlijk te zijn, ik laat haar deze avond inslapen.”
“Oei, is ze ziek misschien?”
“Ja” zei ik, en meteen betrapte ik mezelf op mijn leugen. Tenzij ouderdom een ziekte is? Het verscheurde me maar de beslissing was genomen. En niemand zou het me kwalijk nemen. Zo moest ze niet meer afzien. Zo moest ze niet meer alleen thuis zitten. Is het dat wat we tegenwoordig doen met onze ouderen? Eens ze ons meer te last zijn dan van nut, gaan we ze dumpen?
De vrouw aan de tafel naast ons had ons al een tijdje in de gaten. “Ze kijkt naar haar baasje hoor.”
“Ja,” zei ik. “Altijd.”
En dat was ook zo. Ze keek me altijd aan. Ze achtervolgde me. Ze aanbad me. Alsof ik een god was. En in haar ogen was dit misschien ook zo. Want haar god bracht haar eten, gaf haar onderdak, zorgde voor haar. En hebben wij, als mens, de honden niet gecreëerd? En duizenden jaren lang door te kruisen en te fokken, ze naar onze hand gezet? Zodat ze ons gezelschap kunnen houden. Zodat ze ons vuile werk kunnen opknappen.
Maar goden moeten onverbiddelijk zijn. En goden moeten beslissen over leven en dood.
We keerden terug naar huis. Er resteerde ons nog een laatste uur samen. Moe maar voldaan ging ze op haar vertrouwde plaatsje liggen. Ik stak het haardvuur aan en maakte thee. Soezend hield ze met nog een half oog alles wat ik deed in de gaten. Ik ging even naast haar liggen. Ik hield haar vast. Het zinde haar niet, en ze probeerde zich uit mijn omhelzing te bevrijden. Maar ik bleef haar stevig vasthouden.
De laatste knuffel. Maar dat besefte zij niet.
Ik liet haar zachtjes los, en ik zei haar dat het oké was. Ik ging terug in de zetel zitten en dronk m’n thee. Tot het tijd was.
We gingen te voet want de dierenarts is maar een paar honderd meter verder. Ze kakte nog eens op het voetpad en ik nam het mee in een zakje. “Het enige waarmee ik straks nog zou thuiskomen,” dacht ik bij mezelf.
Net voor de dierenarts weigerde ze naar binnen te gaan. Ze was altijd al eigenwijs geweest. Ze wist dat er iets niet klopte. Uiteindelijk gaf ze mee. We waren vijf minuten te laat, maar dat maakte niet uit want er waren nog klanten binnen. We moesten nog even wachten in de wachtzaal, waarna een jong koppel met hun hondje naar buiten kwam. De hondjes besnuffelden elkaar. Het baasje lachte het tafereel toe, wat ik in andere omstandigheden ook zou gedaan hebben.
We gingen binnen in de praktijkruimte. De dierenarts gaf uitleg over het ganse verloop. Het ging er allemaal heel zakelijk aan toe. Misschien was het maar best zo. Ze vroeg of ze het stoffelijk overschot moest cremeren en of ik een urne wou, maar dat hoefde niet. Misschien komt dit respectloos over, maar ik geloof daar niet in. Als je ziel verdwenen is, heeft dit geen enkele waarde meer. Althans, dat is wat ik mezelf wijsmaakte en me niet nog slechter hoefde te voelen.
Ondertussen liep Lisa zenuwachtig heen en weer door de praktijkruimte. Ze kwam voor me staan en keek me vragend aan met diezelfde ogen waar mijn hart zestien jaar geleden voor gesmolten was. Ik zag haar voor me staan zoals de kleine pup die ze toen was. Haar blik sprak boekdelen: “kunnen we hier weg?” Dit dier zou alles doen voor me, onvoorwaardelijk, dat wist ik. Ze zou sterven voor me. En dat is nu exact wat ik hier van haar vroeg.
We gingen samen op de grond zitten. Ze kreeg een eerste verdovende spuit. Ze ging al heel snel gaan liggen. Na een paar minuutjes legden we haar op de tafel. We streelden en susten haar. Ze bleef me, zoals altijd, aankijken. De fatale spuit voor het hart werd toegediend. Ik wist dat dit het punt was waarna ik niet meer kon terugkeren. Maar ik reageerde niet. Ik bleef in mijn hoofd herhalen dat dit moest. Er was geen andere manier. Het ritme van haar ademhaling werd langzamer, maar bleef nog steeds krachtig. Ze bleef me aankijken en ik durfde niet wegkijken want dat zou laf zijn. Ik bleef haar strelen. Nog even en het zou voorbij zijn. Maar ze bleef ademen en vechten, alsof ze wilde bewijzen hoe hard haar drang was om te blijven leven. De dierenarts luisterde nog eens naar haar hart. Een derde spuit zou nodig zijn. Ze bleef maar vechten en ze bleef ademen. En ze bleef kijken. Tot ze losliet. Ik besefte het. En ik liet ook los.
En toen was het stil.
Haar afwezigheid was direct merkbaar alsof in de kamer een zwart gat was ontstaan, oneindig diep.
De stilte nam ik mee naar huis, waar de leegte heerst, alsof het zijn ziel werd ontnomen.
Wanneer ik ’s morgens de deur van de living open, verwacht ik soms dat ze daarachter staat te wachten, te popelen om naar buiten te gaan. Maar het heeft geen zin meer om vroeg op te staan. Of om naar buiten te gaan.



